Homeopathie door de jaren heen

De homeopathische geneeswijze was al bekend voor het begin van de christelijke jaartelling. De Griekse arts Hippocrates wordt door westerse artsen beschouwd als de 'vader van de geneeskunde'. Uit zijn boeken blijkt, dat hij gebruik maakte van twee soorten geneeskunde. Hij gaf aan dat klachten genezen kunnen worden met tegengestelde middelen (contraria/tegengestelde: zoals de reguliere geneeskunde dat doet) en met gelijksoortige middelen (similia/gelijkende), zoals de huidige homeopathische geneeskunde werkt.

Contraria versus Similia

Volgens de ene methode gaf hij een geneesmiddel tegen een klacht. Tegen pijn gaf hij bijvoorbeeld een pijnstillend middel en tegen onrust een rustgevend middel. Hij wist dat de aandoening hiermee niet genas, maar probeerde op deze manier het lijden te verlichten. Bij de andere werkwijze zocht hij naar een geneesmiddel dat een stimulans kon geven aan het lichaam om zelf te genezen. Hiervoor gebruikte hij stoffen of methoden waarvan hij wist dat ze de klacht of het ziektebeeld juist konden opwekken.

Paracelsus en Hahnemann

Na Hippocrates zijn er twee bekende artsen geweest die tot dezelfde conclusie kwamen als hij. De eerste was Paracelsus, een Zwitserse arts die leefde aan het eind van de middeleeuwen. Over zijn geneeswijze zei hij 'similia similibus curentur', wat betekent 'het gelijke wordt genezen door het gelijkende'. Paracelsus was een groot geleerde op het gebied van de alchemie, de voorloper van de scheikunde.

Samuel Hahnemann een Duitse arts geboren in 1755 is de grondlegger van de huidige homeopathie. Hij herontdekte in 1790 dit ‘gelijksoortigheidsprincipe’ en gaf het de naam homeopathie. Hij werkte de methode uit tot de systematische geneeswijze zoals deze nog steeds wordt beoefend.